Orgelspel Welkom en mededelingen Intochtslied/ psalm: 81: 1, 2 en 3 Stil Gebed Votum en groet Verootmoediging/ geboden: Exodus 20:1-17 Gebed om schuldvergeving en ontferming Zingen psalm 81:8 en 9 Gebed bij de opening van het Woord Schriftlezing: uit het Epistel: 1 Johannes 3:18-24 18Kinderen, we moeten niet liefhebben met de mond, met woorden, maar waarachtig, met daden. 19Dan weten we dat we voortkomen uit de waarheid en kunnen we met een gerust hart voor God staan. 20En zelfs als ons hart ons aanklaagt: God is groter dan ons hart, Hij weet alles. 21Geliefde broeders en zusters, als ons hart ons niet aanklaagt, kunnen we ons vol vertrouwen tot God wenden 22en ontvangen we van Hem wat we maar vragen, omdat we ons aan zijn geboden houden en doen wat Hij wil. 23Dit is zijn gebod: dat we geloven in de naam van zijn Zoon Jezus Christus en elkaar liefhebben, zoals Hij ons heeft opgedragen. 24Wie zich aan zijn geboden houdt blijft in God, en God blijft in hem. Dat Hij in ons blijft, weten we door de Geest die Hij ons heeft gegeven.
Zingen: lied: 829: 1 t/m 3
Schriftlezing NT.: Johannes 15:1-8 De wijnstok en de ranken 1‘Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de wijnbouwer. 2Iedere rank aan Mij die geen vrucht draagt snijdt Hij weg, en iedere rank die wel vrucht draagt snoeit Hij bij, opdat hij meer vruchten voortbrengt. 3Jullie zijn al rein door alles wat Ik tegen jullie gezegd heb. 4Blijf in Mij, dan blijf Ik in jullie. Een rank die niet aan de wijnstok blijft, kan uit zichzelf geen vrucht dragen. Zo kunnen jullie geen vrucht dragen als jullie niet in Mij blijven. 5Ik ben de wijnstok en jullie zijn de ranken. Als iemand in Mij blijft en Ik in hem, zal hij veel vruchten voortbrengen. Maar zonder Mij kun je niets doen. 6Wie niet in Mij blijft is als een wijnrank die weggegooid wordt en verdort; hij wordt met andere ranken verzameld, in het vuur gegooid en verbrand. 7Als jullie in Mij blijven en mijn woorden in jullie, kun je vragen wat je wilt en het zal gebeuren. 8De grootheid van mijn Vader zal zichtbaar worden wanneer jullie veel vruchten voortbrengen en mijn leerlingen zijn.
Zingen Lied: 653: 1 en 4 Uitleg en prediking
Meditatief orgelspel zingen: Lied: 971:1 t/m 3 Geloofsbelijdenis (staande: gezongen Lied 340) Dankgebed en voorbede Collecte Slotlied: lied 645: 1, 2, 3, 5 en 6 Heenzending en zegen Gezongen Amen Wilhelmus: Lied 708: 1 en 6
Met de kinderen De tien woorden rap Ken jij de woorden, de woorden van 1 tot 10? Laat ze dan eens horen, dat wil ik wel eens zien. Deze woorden zijn gegeven als tien vriendjes voor het leven: Eén is God, die maakt je vrij. Er is geen ander, zoals Hij. Bij Twee zegt God: hoor eens naar mij bij Mij horen echt geen beelden bij. Drie dat is Gods eigen naam, om met respect mee om te gaan. De dag van God is nummer vier, bevrijdingsdag voor mens en dier. Zodat je wekelijks even voelt hoe God de schepping heeft bedoeld. Vijf gaat om je ouders, zij en jij zijn goed voor elkaar dan leef je blij. Maak niet dood, laat zes ons horen, knoop dat heel goed in je oren Een maatje een lief zegt nummer zeven iets heel kostbaars in je leven. Dus luister goed naar dit gebod en maak wat heel is niet kapot Acht zegt: stelen is niet cool: dan wordt het hier een beestenboel. Negen: zegt laat dat vals gepraat waarmee je and’re mensen schaadt. Tien zegt: vaar je eigen koers. Wees dan vrij en niet jaloers op wat een ander heeft of kan, want daar word je echt ongelukkig van Dit zijn de woorden, de woorden één tot tien. Je hebt ze kunnen horen, iets om te doen misschien? Ja, zeker wel, het is pas goed als je Gods woord ook doet.
Kinderen gaan naar nevendienst
Zingen Lied 971: 3 Schriftlezing: Deutronomium 6: 4-9 4Luister, Israël: de HEER, onze God, de HEER is de enige! 5Heb de HEER, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw kracht. 6Houd de geboden die ik u vandaag opleg steeds in gedachten. 7Prent ze uw kinderen in en spreek er steeds over, thuis en onderweg, als u naar bed gaat en als u opstaat. 8Draag ze als een teken om uw arm en als een band op uw voorhoofd. 9Schrijf ze op de deurposten van uw huis en op de poorten van de stad.
Lied 320: 2,3
Romeinen 8: 31-39 31Wat moeten wij hier verder over zeggen? Als God voor ons is, wie kan dan tegen ons zijn? 32Zal Hij, die zijn eigen Zoon niet heeft gespaard, maar Hem omwille van ons allen heeft prijsgegeven, ons dan met Hem ook niet alles schenken? 33Wie zal Gods uitverkorenen aanklagen? God zelf spreekt hen vrij. 34Wie zal hen veroordelen? Christus Jezus, die gestorven is, meer nog, die is opgewekt, zit aan de rechterhand van God en pleit voor ons. 35Wat zal ons scheiden van de liefde van Christus? Tegenspoed, ellende of vervolging, honger of armoede, gevaar of het zwaard? 36Er staat geschreven: ‘Om U worden wij dag na dag gedood en afgevoerd als schapen voor de slacht.’ 37Maar wij zegevieren in dit alles glansrijk dankzij Hem die ons zijn liefde heeft bewezen. 38Ik ben ervan overtuigd dat dood noch leven, engelen noch machten noch krachten, heden noch toekomst, 39hoogte noch diepte, of wat er ook maar in de schepping is, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die Hij ons bewezen heeft in Christus Jezus, onze Heer.
Evangelielezing: Johannes 14: 15-21 15Als je Mij liefhebt, houd je dan aan mijn geboden. 16Dan zal Ik de Vader vragen jullie een andere pleitbezorger te geven, die altijd bij je zal zijn: 17de Geest van de waarheid. De wereld kan Hem niet ontvangen, want ze ziet Hem niet en kent Hem niet. Jullie kennen Hem wel, want Hij blijft bij jullie en zal in jullie zijn. 18Ik laat jullie niet als wezen achter, Ik kom bij jullie terug. 19Nog een korte tijd en de wereld zal Mij niet meer zien, maar jullie zullen Mij wel zien, want Ik leef en ook jullie zullen leven. 20Dan zul je begrijpen dat Ik in mijn Vader ben, dat jullie in Mij zijn en dat Ik in jullie ben. 21Wie mijn geboden kent en zich eraan houdt, heeft Mij lief. Wie Mij liefheeft zal de liefde van mijn Vader en Mij ontvangen, en Ik zal mij aan hem bekendmaken.’
Zingen Gezang 466: 1,2
Als God mijn God maar voor mij is, wie is er dan mij tegen? Dan werken druk en droefenis, mijn ziele tot een zegen. Dan waakt alom een engelenwacht, dan zie ik sterren in de nacht, en bloemen op mijn wegen.
En wat er dreigt! Of wie er woedt, mijn Heiland blijft mij leiden, Geen donker dal van tegenspoed, kan van Zijn staf mij scheiden. Hij blijft mij overal nabij, aan stille waat’ren voert Hij mij, en liefelijke weiden.
Preek
Meditatief orgelspel.
Gezongen apostolische geloofsbelijdenis 340B
De kinderen komen terug van de kindernevendienst.
Dankgebed, voorbeden, stil gebed, gezamenlijk gebeden Onze Vader.
Collecte
Slotlied 675: 2
Heenzending en zegen, door de gemeente beantwoord met een gezongen Amen (3x)
Orgelspel Welkom en mededelingen Introïtus: Psalm 33:1,8 Votum en groet Zingen Lied 650:1,2 Smeekgebed Glorialied 630:1,3 Gebed bij de opening van het Woord 1e lezing: Jesaja 43:1-12 1Welnu, dit zegt de HEER, die jou schiep, Jakob, die jou vormde, Israël: Wees niet bang, want Ik zal je vrijkopen, Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van Mij! 2Moet je door het water gaan – Ik ben bij je; of door rivieren – je wordt niet meegesleurd. Moet je door het vuur gaan – het zal je niet verteren, de vlammen zullen je niet verschroeien. 3Want Ik, de HEER, ben je God, de Heilige van Israël, je redder. Voor jou geef Ik Egypte als losgeld, Nubië en Seba ruil Ik in tegen jou. 4Jij bent zo kostbaar in mijn ogen, zo waardevol, en Ik houd zo veel van je dat Ik de mensheid geef in ruil voor jou, ja alle volken om jou te behouden. 5Wees niet bang, want Ik ben bij je. Ik haal je nakomelingen uit het oosten terug, uit het westen breng Ik jullie bijeen. 6Tegen het noorden zeg Ik: Geef hier! Het zuiden gebied Ik: Laat los! Breng mijn zonen terug van verre, mijn dochters van de einden der aarde, 7allen over wie mijn naam is uitgeroepen, en die Ik omwille van mijn majesteit geschapen heb, gemaakt en gevormd. 8Laat dit volk naar voren treden, een blind volk, ook al heeft het ogen, doof, ook al heeft het oren. 9Alle volken zullen zich verzamelen, alle naties komen bijeen. Wie van hun goden heeft aangekondigd wat eertijds nog te gebeuren stond? Laten zij getuigen leveren om hun gelijk te bewijzen, opdat ieder die hen hoort zal zeggen: ‘Het is zo!’ 10Mijn getuige zijn jullie – spreekt de HEER –, mijn dienaar, die Ik uitgekozen heb opdat jullie Mij zouden kennen en vertrouwen, en zouden inzien dat Ik het ben. Vóór Mij is er geen god gevormd, en na Mij zal er geen zijn. 11Ik, Ik ben de HEER! Buiten Mij is er niemand die redt. 12Ik heb redding aangekondigd en redding gebracht, jullie hoorden het van Mij, niet van een vreemde. Jullie zijn mijn getuige – spreekt de HEER –, dat Ik alleen God ben 13en dat Ik blijf wat Ik ben. Wanneer Ik mijn macht laat gelden is er niemand die redding bieden kan. Wat Ik tot stand breng, wie maakt het ongedaan? 14Dit zegt de HEER, jullie bevrijder, de Heilige van Israël: Omwille van jullie zend Ik iemand naar Babel; Ik maak alle Chaldeeën tot vluchteling en jaag hen jammerend hun schepen op. 15Ik ben de HEER, jullie Heilige, de schepper van Israël, jullie koning. 16Dit zegt de HEER, die een weg baande door de zee en een pad door machtige wateren, 17die paarden en wagens liet uitrukken, een heel leger van geweldenaars – daar lagen ze, en ze stonden niet meer op, ze zijn vergaan, als een kwijnende vlam gedoofd. 18Blijf niet staan bij wat eertijds is gebeurd, denk niet terug aan het verleden. 19Zie, Ik ga iets nieuws verrichten, nu ontkiemt het – heb je het nog niet gemerkt? Ik baan een weg door de woestijn, maak rivieren in de wildernis. 20De wilde dieren zullen Mij eer bewijzen, de jakhalzen en de struisvogels, omdat Ik water schep in de woestijn en rivieren in de wildernis; het volk dat Ik heb uitgekozen, laat Ik drinken. 21Dit is het volk dat Ik mij gevormd heb, het zal mijn lof verkondigen.
Zingen: Psalm 117:1 2e lezing: Johannes 21: 1-14 1Hierna verscheen Jezus weer aan de leerlingen, nu bij het Meer van Tiberias. Dat gebeurde als volgt. 2Bij het meer waren Simon Petrus en Tomas (dat is Didymus, ‘tweeling’), Natanaël uit Kana in Galilea, de zonen van Zebedeüs en nog twee andere leerlingen. 3Simon Petrus zei: ‘Ik ga vissen.’ ‘Wij gaan met je mee,’ zeiden de anderen. Ze stapten in de boot, maar de hele nacht vingen ze niets. 4Toen het al ochtend werd, stond Jezus op de oever. Maar de leerlingen wisten niet dat het Jezus was. 5Hij riep: ‘Hebben jullie iets te eten, jongens?’ ‘Nee,’ antwoordden ze. 6‘Gooi het net uit aan de rechterkant van het schip,’ riep Jezus, ‘dan lukt het wel.’ Ze wierpen het net uit, en er zat zo veel vis in dat ze het niet omhoog konden trekken. 7De leerling van wie Jezus veel hield zei tegen Petrus: ‘Het is de Heer!’ Zodra Simon Petrus dat hoorde, deed hij zijn bovenkleed aan – want hij was nauwelijks gekleed – en sprong in het water. 8De andere leerlingen kwamen met de boot en sleepten het net vol vis achter zich aan. Ze waren niet ver van de oever, ongeveer tweehonderd el. 9Toen ze aan land kwamen zagen ze een vuurtje met vis erop en brood. 10Jezus zei: ‘Breng ook wat van de vis die jullie daarnet gevangen hebben.’ 11Simon Petrus ging weer aan boord en trok het net aan land. Het zat vol grote vissen, welgeteld honderddrieënvijftig, en toch scheurde het niet. 12Jezus zei tegen hen: ‘Kom, eet iets.’ Geen van de leerlingen durfde Hem te vragen wie Hij was, ze begrepen dat het de Heer was. 13Jezus nam het brood en gaf hun ervan, en Hij gaf hun ook vis. 14Dit was al de derde keer dat Jezus aan de leerlingen verscheen nadat Hij uit de dood was opgestaan.
Zingen: lied 644:1,2,3,4,5 Preek
Zingen: “Heer, ik hoor van rijke zegen”
Heer, ik hoor van rijke zegen die Gij uitstort keer op keer, laat ook van die milde regen, dropp’len vallen op mij neer, ook op mij, ook op mij, dropp’len vallen ook op mij.
Heil’ge Geest wil niet voorbij gaan, Gij geeft blinden d’ ogen weer. Wil, o wil nu bij mij stilstaan, werk in mij met kracht, o Heer, ook in mij, ook in mij, werk ook door uw kracht in mij.
Liefde Gods zo rein en krachtig, bloed van Jezus, rijk en vrij. Gods genade, sterk en machtig, o verheerlijk U in mij. Ook in mij, ook in mij, o verheerlijk U in mij
Dankgebed, voorbeden, Onze Vader Bijdrage van de kinderclub
Orgelspel Welkom en mededelingen Zingen ELB 185: 1: Leer mij Uw weg, o Heer’, leer mij Uw weg. Schenk van Uw kracht mij meer, leer mij Uw weg. Houd mij in evenwicht, dat ‘k voor Uw aangezicht, wandel in ’t volle licht, leer mij Uw weg.
4: Wat ook dit leven brengt, Hij is nabij ’t Zij ’t vreugd of droefheid schenkt, Hij is nabij. Hoe sterk ook satans macht, Jezus geeft licht en kracht ieder, die Hem verwacht; Hij is nabij
Stilte ‘Onze hulp’ en groet Zingen Psalm 23c: 1, 2 Gebod zingen Psalm 23c: 3, 4 Gebed Zingen Psalm 23 c: 5 kinderen naar nevendienst Schriftlezing: Markus 16: 1-8 Het lege graf 1Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria van Magdala en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome geurige olie om Hem te balsemen. 2Op de eerste dag van de week gingen ze heel vroeg in de ochtend, vlak na zonsopgang, naar het graf. 3Ze zeiden tegen elkaar: ‘Wie zal voor ons de steen voor de ingang van het graf wegrollen?’ 4Maar toen ze opkeken, zagen ze dat de steen al was weggerold; het was een heel grote steen. 5Toen ze het graf binnengingen, zagen ze rechts een in het wit geklede jongeman zitten. Ze schrokken vreselijk. 6Maar hij zei tegen hen: ‘Wees niet bang. Jullie zoeken Jezus van Nazaret, die gekruisigd is. Hij is opgewekt uit de dood, Hij is niet hier; kijk, dat is de plaats waar Hij was neergelegd. 7Ga terug en zeg tegen zijn leerlingen en tegen Petrus: “Hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zullen jullie Hem zien, zoals Hij jullie heeft gezegd.”’
8Ze gingen naar buiten en vluchtten bij het graf vandaan, want ze waren bevangen door angst en schrik. Ze waren zo erg geschrokken dat ze tegen niemand iets zeiden.
2. Hij laat ons, mensen, mee ontstijgen, aan al wat ons ten gronde richt en achten wij de aarde ons eigen, Hij gaat ons voor, wij zien in ’t licht dat Hij ontsteekt het ware leven, ons door de hemel weergegeven.
3. Laat ons dan nieuwe mensen wezen en leggen al het oude af, dood en verderf zijn uitgewezen, de schuld en zonde zijn voor ’t graf. Hij leeft en spreekt op deze morgen van ons bestaan, in Hem geborgen.
Orgelspel Welkom en mededelingen Zingen Psalm 118:1,9
Voorganger: De Heer is opgestaan! Allen: De Heer is waarlijk opgestaan! Voorganger: Onze hulp is in de Naam van de Heer, Allen: die hemel en aarde gemaakt heeft Voorganger: die trouw houdt tot in eeuwigheid Allen: en niet laat varen de werken van zijn handen Voorganger: Genade zij u en vrede van God onze Vader en van de Here Jezus Christus Allen: Amen
Samenzang: “Daar juicht een toon”
1. (Allen) Daar juicht een toon, daar klinkt een stem, die galmt door gans Jeruzalem; een heerlijk morgenlicht breekt aan: de Zoon van God is opgestaan!
2. (Mannen) Geen graf hield Davids Zoon omkneld, Hij overwon, die sterke Held. Hij steeg uit ’t graf door Vaders kracht, want Hij is God, bekleed met macht!
3. (Vrouwen) Nu jaagt de dood geen angst meer aan, want alles, alles is voldaan; wie in geloof op Jezus ziet, die vreest voor dood en helle niet.
4. (Allen) Want nu de Heer is opgestaan, nu vangt het nieuwe leven aan, een leven door zijn dood bereid, een leven in zijn heerlijkheid.
Lezing van het gebod (Romeinen 6:8-14) 8Wanneer wij met Christus zijn gestorven, geloven we dat we ook met Hem zullen leven, 9omdat we weten dat Christus, nu Hij is opgewekt uit de dood, niet meer sterft: de dood heeft geen macht meer over Hem. 10Door zijn sterven is Hij voor eens en altijd dood voor de zonde; en nu Hij leeft, leeft Hij voor God. 11Zo moet ook u uzelf zien: dood voor de zonde, maar in Christus Jezus levend voor God. 12Laat de zonde dus niet heersen over uw sterfelijke bestaan, geef niet toe aan uw begeerten. 13Stel uzelf niet langer in dienst van de zonde als een werktuig voor het onrecht, maar juist in dienst van God, als levenden die uit de dood zijn opgewekt. Stel uzelf in dienst van God als een werktuig voor de gerechtigheid. 14De zonde mag niet langer over u heersen, want u staat niet onder de wet, maar leeft onder de genade.
Zingen: Lied 641: 1, 2 Jezus leeft en ik met Hem! dood, waar is uw schrik gebleven? Hem behoor ik en zijn stem roept ook mij straks tot het leven, opdat ik zijn licht aanschouw, dit is al waar ik op bouw.
Jezus leeft! Hem is het rijk over al wat is gegeven. En ik zal, aan Hem gelijk, eeuwig heersen, eeuwig leven. God blijft zijn beloften trouw, dit is al waar ik op bouw.
Kinderlied: “Weet je wel dat Jezus leeft”
Weet je dat de lente komt, lente komt, lente komt Weet je dat de lente komt, alles loopt weer uit
De eerste zonnestralen, ze tintelen op je huid De eerste bloemen bloeien, de eerste vogel fluit Weet je dat de lente komt, lente komt, lente komt Weet je dat de lente komt, alles loopt weer uit
Weet je wel dat Jezus leeft, Jezus leeft, Jezus leeft Weet je wel dat Jezus leeft, Hij is opgestaan
Ze hadden hem gekruisigd en in een graf gedaan Maar na drie donkere dagen is Hij weer opgestaan Weet je wel dat Jezus leeft, Jezus leeft, Jezus leeft Weet je wel dat Jezus leeft, Hij is opgestaan
Weet je wel dat Jezus leeft, Jezus leeft, Jezus leeft Weet je wel dat Jezus leeft, Hij is opgestaan
Gebed bij de opening van het woord
Lezen: Johannes 20: 1-18 En op de eerste dag der week ging Maria van Magdala vroeg, terwijl het nog donker was, naar het graf en zij zag de steen van het graf weggenomen. IJlings kwam zij dan bij Simon Petrus en bij de andere discipel, dien Jezus liefhad, en zeide tot hen: Zij hebben de Here weggenomen uit het graf en wij weten niet, waar zij Hem hebben neergelegd. Petrus dan ging op weg en ook de andere discipel en zij begaven zich naar het graf; en die twee liepen samen snel voort; en de andere discipel liep vooruit, sneller dan Petrus, en kwam het eerst aan het graf, en zich vooroverbuigende, zag hij de linnen windsels liggen; hij ging echter niet naar binnen. Simon Petrus dan kwam ook, hem volgende, en hij ging het graf binnen en zag de windsels liggen, maar de zweetdoek, die op zijn hoofd geweest was, zag hij niet bij de windsels liggen, doch opgerold, terzijde op een andere plaats. Toen ging ook de andere discipel, die het eerst aan het graf gekomen was, naar binnen, en hij zag het en geloofde; want zij kenden de Schrift nog niet, dat Hij uit de doden moest opstaan. De discipelen dan gingen weder naar huis. En Maria stond buiten dicht bij het graf, wenende. Terwijl zij dan weende, boog zij zich voorover naar het graf, en zij zag twee engelen zitten, in witte klederen, een aan het hoofdeinde en een aan het voeteneinde, waar het lichaam van Jezus gelegen had. En zij zeiden tot haar: Vrouw, waarom weent gij? Zij zeide tot hen: Omdat zij mijn Here weggenomen hebben en ik weet niet, waar zij Hem neergelegd hebben. Na deze woorden keerde zij zich om en zag Jezus staan, maar zij wist niet, dat het Jezus was. Jezus zeide tot haar: Vrouw, waarom weent gij? Wie zoekt gij? Zij meende, dat het de hovenier was, en zeide tot Hem: Heer, als gij Hem weggedragen hebt, zeg mij dan, waar gij Hem hebt neergelegd en ik zal Hem wegnemen. Jezus zeide tot haar: Maria! Zij keerde zich om en zeide tot Hem in het Hebreeuws: Rabboeni, dat wil zeggen: Meester! Jezus zeide tot haar: Houd Mij niet vast, want Ik ben nog niet opgevaren naar de Vader; maar ga naar mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God. Maria van Magdala ging heen en boodschapte de discipelen, dat zij de Here had gezien en dat Hij haar dit gezegd had.
Zingen lied 624: 1,2,3
1. Christus, onze Heer, verrees, halleluja! Heil’ge dag na angst en vrees, halleluja! die verhoogd werd aan het kruis, halleluja, bracht ons in Gods vrijheid thuis, halleluja!
2. Prijst nu Christus in ons lied, halleluja, die in heerlijkheid gebiedt, halleluja, die aanvaardde kruis en graf, halleluja, dat Hij zondaars ’t leven gaf, halleluja!
3. Maar zijn lijden en zijn strijd, halleluja heeft verzoening ons bereid, halleluja Nu is hij der heemlen Heer, halleluja englen juublen Hem ter eer, halleluja!
Preek
Zingen: Lied 858: 1,2 Vernieuw in ons, o God, uw liefde, lentelicht. Herstel ons naar uw beeld en strijk het kwaad uit ons gezicht.
Beadem ons, o Geest, met wonderlijke kracht, dan opent zich het leven weer, een bloem in volle pracht.
Geloofsbelijdenis
Zingen: Lied 858: 3, 4 Geef ons, o Christus, deel aan levenslang geluk. Gedoopt in U, een nieuw bestaan – dat slaat geen dood meer stuk.
Drie-enig God, vervul wat U ons hebt beloofd, na al ons zoeken U te zien, dan staan wij oog in oog.
Dankgebed en voorbeden
Inzamelen van de spaardoosjes en collecte
Slotzang: “U zij de glorie” U zij de glorie, opgestane Heer, U zij de victorie, nu en immermeer. Uit een blinkend stromen daalde d’engel af, heeft de steen genomen van ’t overwonnen graf. U zij de glorie, opgestane Heer, U zij de victorie, nu en immermeer.
Zie Hem verschijnen, Jezus, onze Heer, Hij brengt al de zijnen in zijn armen weer. Weest dan volk des Heren blijde en welgezind en zegt telkenkere: “Christus overwint.” U zij de glorie, opgestane Heer, U zij de victorie, nu en immermeer.
Zou ik nog vrezen, nu Hij eeuwig leeft, die mij heeft genezen, die mij vrede geeft? In zijn goddelijk wezen is mijn glorie groot; niets heb ik te vrezen in leven en in dood. U zij de glorie, opgestane Heer, U zij de victorie, nu en immermeer.
Orgelspel Welkom en mededelingen Zingen intochtslied: Lied 547 vers 1, 4 en 6 Stil gebed, votum en groet Aanvangstekst Verootmoedigingsgebed Geboden Zingen: Psalm 67 vers 1, 2 en 3 Gebed om verlichting met de heilige Geest Kindergesprek Schriftlezing: Johannes 12:20-36 Jezus spreekt over zijn dood 20Nu was er ook een aantal Grieken naar het feest gekomen om God te aanbidden. 21Zij gingen naar Filippus uit Betsaïda in Galilea, en vroegen of ze Jezus konden zien. 22Filippus ging dat tegen Andreas zeggen en samen gingen ze naar Jezus. 23Jezus zei: ‘De tijd is gekomen dat de Mensenzoon tot majesteit wordt verheven. 24Werkelijk, Ik verzeker u, als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft brengt hij veel vruchten voort. 25Wie zich aan zijn leven vastklampt, verliest het, maar wie in deze wereld zijn leven loslaat, behoudt het voor het eeuwige leven. 26Wie Mij dient moet Mij volgen: waar Ik ben zal ook mijn dienaar zijn, en wie Mij dient zal door de Vader geëerd worden. 27Nu slaat de angst Mij om het hart. Wat moet Ik zeggen? Vader, laat dit ogenblik aan Mij voorbijgaan? Maar hiervoor ben Ik juist gekomen. 28Laat nu zien hoe groot uw naam is, Vader.’ Toen klonk er een stem uit de hemel: ‘Ik heb mijn grootheid getoond en Ik zal mijn grootheid weer tonen.’ 29De mensen die daar stonden en dit hoorden, zeiden: ‘Een donderslag!’ Maar er waren er ook die zeiden dat het een engel was die tegen Hem gesproken had. 30Jezus zei: ‘Die stem heeft niet voor Mij gesproken, maar voor u. 31Nu wordt het oordeel over deze wereld geveld, nu zal de heerser van deze wereld uitgebannen worden. 32Wanneer Ik van de aarde omhooggeheven word, zal Ik iedereen naar mij toe halen.’ 33Daarmee duidde Hij aan welke dood Hij zou sterven. 34De mensen zeiden: ‘Maar wij hebben uit de wet begrepen dat de messias eeuwig blijft leven. Waarom zegt U dan dat de Mensenzoon omhooggeheven moet worden? Wie is die Mensenzoon?’ 35‘Nog een korte tijd is het licht bij u,’ antwoordde Jezus. ‘Ga uw weg zolang het licht is en laat de duisternis u niet overvallen; wie in het donker loopt weet niet waar hij heen gaat. 36Geloof in het licht zolang u het licht bij u hebt, dan bent u kinderen van het licht.’ Na deze woorden ging Jezus weg en Hij hield zich voor hen schuil.
Zingen: Psalm 22 vers 1 en 12 Preek Meditatief orgelspel Zingen: Lied 919 vers 1 en 4 ZWO-moment Dankgebed en voorbeden Collecten Zingen: Lied 575 vers 1 en 6 Zegen Gezongen Amen