Orgelspel Welkom en mededelingen Zingen ELB 185: 1: Leer mij Uw weg, o Heer’, leer mij Uw weg. Schenk van Uw kracht mij meer, leer mij Uw weg. Houd mij in evenwicht, dat ‘k voor Uw aangezicht, wandel in ’t volle licht, leer mij Uw weg.
4: Wat ook dit leven brengt, Hij is nabij ’t Zij ’t vreugd of droefheid schenkt, Hij is nabij. Hoe sterk ook satans macht, Jezus geeft licht en kracht ieder, die Hem verwacht; Hij is nabij
Stilte ‘Onze hulp’ en groet Zingen Psalm 23c: 1, 2 Gebod zingen Psalm 23c: 3, 4 Gebed Zingen Psalm 23 c: 5 kinderen naar nevendienst Schriftlezing: Markus 16: 1-8 Het lege graf 1Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria van Magdala en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome geurige olie om Hem te balsemen. 2Op de eerste dag van de week gingen ze heel vroeg in de ochtend, vlak na zonsopgang, naar het graf. 3Ze zeiden tegen elkaar: ‘Wie zal voor ons de steen voor de ingang van het graf wegrollen?’ 4Maar toen ze opkeken, zagen ze dat de steen al was weggerold; het was een heel grote steen. 5Toen ze het graf binnengingen, zagen ze rechts een in het wit geklede jongeman zitten. Ze schrokken vreselijk. 6Maar hij zei tegen hen: ‘Wees niet bang. Jullie zoeken Jezus van Nazaret, die gekruisigd is. Hij is opgewekt uit de dood, Hij is niet hier; kijk, dat is de plaats waar Hij was neergelegd. 7Ga terug en zeg tegen zijn leerlingen en tegen Petrus: “Hij gaat jullie voor naar Galilea, daar zullen jullie Hem zien, zoals Hij jullie heeft gezegd.”’
8Ze gingen naar buiten en vluchtten bij het graf vandaan, want ze waren bevangen door angst en schrik. Ze waren zo erg geschrokken dat ze tegen niemand iets zeiden.
2. Hij laat ons, mensen, mee ontstijgen, aan al wat ons ten gronde richt en achten wij de aarde ons eigen, Hij gaat ons voor, wij zien in ’t licht dat Hij ontsteekt het ware leven, ons door de hemel weergegeven.
3. Laat ons dan nieuwe mensen wezen en leggen al het oude af, dood en verderf zijn uitgewezen, de schuld en zonde zijn voor ’t graf. Hij leeft en spreekt op deze morgen van ons bestaan, in Hem geborgen.
Orgelspel Welkom en mededelingen Zingen Psalm 118:1,9
Voorganger: De Heer is opgestaan! Allen: De Heer is waarlijk opgestaan! Voorganger: Onze hulp is in de Naam van de Heer, Allen: die hemel en aarde gemaakt heeft Voorganger: die trouw houdt tot in eeuwigheid Allen: en niet laat varen de werken van zijn handen Voorganger: Genade zij u en vrede van God onze Vader en van de Here Jezus Christus Allen: Amen
Samenzang: “Daar juicht een toon”
1. (Allen) Daar juicht een toon, daar klinkt een stem, die galmt door gans Jeruzalem; een heerlijk morgenlicht breekt aan: de Zoon van God is opgestaan!
2. (Mannen) Geen graf hield Davids Zoon omkneld, Hij overwon, die sterke Held. Hij steeg uit ’t graf door Vaders kracht, want Hij is God, bekleed met macht!
3. (Vrouwen) Nu jaagt de dood geen angst meer aan, want alles, alles is voldaan; wie in geloof op Jezus ziet, die vreest voor dood en helle niet.
4. (Allen) Want nu de Heer is opgestaan, nu vangt het nieuwe leven aan, een leven door zijn dood bereid, een leven in zijn heerlijkheid.
Lezing van het gebod (Romeinen 6:8-14) 8Wanneer wij met Christus zijn gestorven, geloven we dat we ook met Hem zullen leven, 9omdat we weten dat Christus, nu Hij is opgewekt uit de dood, niet meer sterft: de dood heeft geen macht meer over Hem. 10Door zijn sterven is Hij voor eens en altijd dood voor de zonde; en nu Hij leeft, leeft Hij voor God. 11Zo moet ook u uzelf zien: dood voor de zonde, maar in Christus Jezus levend voor God. 12Laat de zonde dus niet heersen over uw sterfelijke bestaan, geef niet toe aan uw begeerten. 13Stel uzelf niet langer in dienst van de zonde als een werktuig voor het onrecht, maar juist in dienst van God, als levenden die uit de dood zijn opgewekt. Stel uzelf in dienst van God als een werktuig voor de gerechtigheid. 14De zonde mag niet langer over u heersen, want u staat niet onder de wet, maar leeft onder de genade.
Zingen: Lied 641: 1, 2 Jezus leeft en ik met Hem! dood, waar is uw schrik gebleven? Hem behoor ik en zijn stem roept ook mij straks tot het leven, opdat ik zijn licht aanschouw, dit is al waar ik op bouw.
Jezus leeft! Hem is het rijk over al wat is gegeven. En ik zal, aan Hem gelijk, eeuwig heersen, eeuwig leven. God blijft zijn beloften trouw, dit is al waar ik op bouw.
Kinderlied: “Weet je wel dat Jezus leeft”
Weet je dat de lente komt, lente komt, lente komt Weet je dat de lente komt, alles loopt weer uit
De eerste zonnestralen, ze tintelen op je huid De eerste bloemen bloeien, de eerste vogel fluit Weet je dat de lente komt, lente komt, lente komt Weet je dat de lente komt, alles loopt weer uit
Weet je wel dat Jezus leeft, Jezus leeft, Jezus leeft Weet je wel dat Jezus leeft, Hij is opgestaan
Ze hadden hem gekruisigd en in een graf gedaan Maar na drie donkere dagen is Hij weer opgestaan Weet je wel dat Jezus leeft, Jezus leeft, Jezus leeft Weet je wel dat Jezus leeft, Hij is opgestaan
Weet je wel dat Jezus leeft, Jezus leeft, Jezus leeft Weet je wel dat Jezus leeft, Hij is opgestaan
Gebed bij de opening van het woord
Lezen: Johannes 20: 1-18 En op de eerste dag der week ging Maria van Magdala vroeg, terwijl het nog donker was, naar het graf en zij zag de steen van het graf weggenomen. IJlings kwam zij dan bij Simon Petrus en bij de andere discipel, dien Jezus liefhad, en zeide tot hen: Zij hebben de Here weggenomen uit het graf en wij weten niet, waar zij Hem hebben neergelegd. Petrus dan ging op weg en ook de andere discipel en zij begaven zich naar het graf; en die twee liepen samen snel voort; en de andere discipel liep vooruit, sneller dan Petrus, en kwam het eerst aan het graf, en zich vooroverbuigende, zag hij de linnen windsels liggen; hij ging echter niet naar binnen. Simon Petrus dan kwam ook, hem volgende, en hij ging het graf binnen en zag de windsels liggen, maar de zweetdoek, die op zijn hoofd geweest was, zag hij niet bij de windsels liggen, doch opgerold, terzijde op een andere plaats. Toen ging ook de andere discipel, die het eerst aan het graf gekomen was, naar binnen, en hij zag het en geloofde; want zij kenden de Schrift nog niet, dat Hij uit de doden moest opstaan. De discipelen dan gingen weder naar huis. En Maria stond buiten dicht bij het graf, wenende. Terwijl zij dan weende, boog zij zich voorover naar het graf, en zij zag twee engelen zitten, in witte klederen, een aan het hoofdeinde en een aan het voeteneinde, waar het lichaam van Jezus gelegen had. En zij zeiden tot haar: Vrouw, waarom weent gij? Zij zeide tot hen: Omdat zij mijn Here weggenomen hebben en ik weet niet, waar zij Hem neergelegd hebben. Na deze woorden keerde zij zich om en zag Jezus staan, maar zij wist niet, dat het Jezus was. Jezus zeide tot haar: Vrouw, waarom weent gij? Wie zoekt gij? Zij meende, dat het de hovenier was, en zeide tot Hem: Heer, als gij Hem weggedragen hebt, zeg mij dan, waar gij Hem hebt neergelegd en ik zal Hem wegnemen. Jezus zeide tot haar: Maria! Zij keerde zich om en zeide tot Hem in het Hebreeuws: Rabboeni, dat wil zeggen: Meester! Jezus zeide tot haar: Houd Mij niet vast, want Ik ben nog niet opgevaren naar de Vader; maar ga naar mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God. Maria van Magdala ging heen en boodschapte de discipelen, dat zij de Here had gezien en dat Hij haar dit gezegd had.
Zingen lied 624: 1,2,3
1. Christus, onze Heer, verrees, halleluja! Heil’ge dag na angst en vrees, halleluja! die verhoogd werd aan het kruis, halleluja, bracht ons in Gods vrijheid thuis, halleluja!
2. Prijst nu Christus in ons lied, halleluja, die in heerlijkheid gebiedt, halleluja, die aanvaardde kruis en graf, halleluja, dat Hij zondaars ’t leven gaf, halleluja!
3. Maar zijn lijden en zijn strijd, halleluja heeft verzoening ons bereid, halleluja Nu is hij der heemlen Heer, halleluja englen juublen Hem ter eer, halleluja!
Preek
Zingen: Lied 858: 1,2 Vernieuw in ons, o God, uw liefde, lentelicht. Herstel ons naar uw beeld en strijk het kwaad uit ons gezicht.
Beadem ons, o Geest, met wonderlijke kracht, dan opent zich het leven weer, een bloem in volle pracht.
Geloofsbelijdenis
Zingen: Lied 858: 3, 4 Geef ons, o Christus, deel aan levenslang geluk. Gedoopt in U, een nieuw bestaan – dat slaat geen dood meer stuk.
Drie-enig God, vervul wat U ons hebt beloofd, na al ons zoeken U te zien, dan staan wij oog in oog.
Dankgebed en voorbeden
Inzamelen van de spaardoosjes en collecte
Slotzang: “U zij de glorie” U zij de glorie, opgestane Heer, U zij de victorie, nu en immermeer. Uit een blinkend stromen daalde d’engel af, heeft de steen genomen van ’t overwonnen graf. U zij de glorie, opgestane Heer, U zij de victorie, nu en immermeer.
Zie Hem verschijnen, Jezus, onze Heer, Hij brengt al de zijnen in zijn armen weer. Weest dan volk des Heren blijde en welgezind en zegt telkenkere: “Christus overwint.” U zij de glorie, opgestane Heer, U zij de victorie, nu en immermeer.
Zou ik nog vrezen, nu Hij eeuwig leeft, die mij heeft genezen, die mij vrede geeft? In zijn goddelijk wezen is mijn glorie groot; niets heb ik te vrezen in leven en in dood. U zij de glorie, opgestane Heer, U zij de victorie, nu en immermeer.
Orgelspel Welkom en mededelingen Zingen intochtslied: Lied 547 vers 1, 4 en 6 Stil gebed, votum en groet Aanvangstekst Verootmoedigingsgebed Geboden Zingen: Psalm 67 vers 1, 2 en 3 Gebed om verlichting met de heilige Geest Kindergesprek Schriftlezing: Johannes 12:20-36 Jezus spreekt over zijn dood 20Nu was er ook een aantal Grieken naar het feest gekomen om God te aanbidden. 21Zij gingen naar Filippus uit Betsaïda in Galilea, en vroegen of ze Jezus konden zien. 22Filippus ging dat tegen Andreas zeggen en samen gingen ze naar Jezus. 23Jezus zei: ‘De tijd is gekomen dat de Mensenzoon tot majesteit wordt verheven. 24Werkelijk, Ik verzeker u, als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft brengt hij veel vruchten voort. 25Wie zich aan zijn leven vastklampt, verliest het, maar wie in deze wereld zijn leven loslaat, behoudt het voor het eeuwige leven. 26Wie Mij dient moet Mij volgen: waar Ik ben zal ook mijn dienaar zijn, en wie Mij dient zal door de Vader geëerd worden. 27Nu slaat de angst Mij om het hart. Wat moet Ik zeggen? Vader, laat dit ogenblik aan Mij voorbijgaan? Maar hiervoor ben Ik juist gekomen. 28Laat nu zien hoe groot uw naam is, Vader.’ Toen klonk er een stem uit de hemel: ‘Ik heb mijn grootheid getoond en Ik zal mijn grootheid weer tonen.’ 29De mensen die daar stonden en dit hoorden, zeiden: ‘Een donderslag!’ Maar er waren er ook die zeiden dat het een engel was die tegen Hem gesproken had. 30Jezus zei: ‘Die stem heeft niet voor Mij gesproken, maar voor u. 31Nu wordt het oordeel over deze wereld geveld, nu zal de heerser van deze wereld uitgebannen worden. 32Wanneer Ik van de aarde omhooggeheven word, zal Ik iedereen naar mij toe halen.’ 33Daarmee duidde Hij aan welke dood Hij zou sterven. 34De mensen zeiden: ‘Maar wij hebben uit de wet begrepen dat de messias eeuwig blijft leven. Waarom zegt U dan dat de Mensenzoon omhooggeheven moet worden? Wie is die Mensenzoon?’ 35‘Nog een korte tijd is het licht bij u,’ antwoordde Jezus. ‘Ga uw weg zolang het licht is en laat de duisternis u niet overvallen; wie in het donker loopt weet niet waar hij heen gaat. 36Geloof in het licht zolang u het licht bij u hebt, dan bent u kinderen van het licht.’ Na deze woorden ging Jezus weg en Hij hield zich voor hen schuil.
Zingen: Psalm 22 vers 1 en 12 Preek Meditatief orgelspel Zingen: Lied 919 vers 1 en 4 ZWO-moment Dankgebed en voorbeden Collecten Zingen: Lied 575 vers 1 en 6 Zegen Gezongen Amen
Orgelspel Welkom en mededelingen Zingen Psalm 122:1 Votum en groet Zingen Psalm 122: 2,3 Lezen van het gebod Zingen Psalm 103a: 1,3 Gebed Kinderen gaan naar de nevendienst Schriftlezing: Johannes 9,1-13 en 26-39 Genezing van een blinde
1In het voorbijgaan zag Jezus iemand die al vanaf zijn geboorte blind was. 2Zijn leerlingen vroegen: ‘Rabbi, hoe komt het dat hij blind was toen hij geboren werd? Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’ 3‘Hij niet en zijn ouders ook niet,’ was het antwoord van Jezus, ‘maar Gods werk moet door hem zichtbaar worden. 4Zolang het dag is, moeten we het werk doen van Hem die Mij gezonden heeft; straks komt de nacht en dan kan niemand iets doen. 5Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht voor de wereld.’ 6Na deze woorden spuwde Hij op de grond. Met het speeksel maakte Hij wat modder, Hij streek die op de ogen van de blinde 7en zei tegen hem: ‘Ga u wassen in het badhuis van Siloam.’ (Siloam is in onze taal ‘gezondene’.) De man ging weg, waste zich, en toen hij terugkwam kon hij zien. 8Zijn buren en de mensen die hem kenden als bedelaar zeiden: ‘Is dat niet de man die altijd zat te bedelen?’ 9De een zei: ‘Ja, die is het,’ en de ander: ‘Nee, maar hij lijkt er wel op.’ De man zelf zei: ‘Ik ben het echt.’ 10Toen vroegen ze: ‘Hoe zijn je ogen opengegaan?’ 11Hij zei: ‘Iemand die Jezus heet, maakte wat modder, streek die op mijn ogen en zei: “Ga naar Siloam om u te wassen.” Ik ging erheen, en toen ik me gewassen had kon ik zien.’ 12Ze vroegen: ‘Waar is die man?’ ‘Dat weet ik niet,’ zei hij.13Toen namen ze de man die blind geweest was mee naar de farizeeën. 26Ze drongen aan: ‘Wat heeft Hij met je gedaan? Hoe heeft Hij je ogen geopend?’ 27‘Dat heb ik u toch al verteld,’ zei hij, ‘maar u luistert niet! Wat wilt u nog meer horen? Wilt u soms leerling van Hem worden?’ 28Nu vielen ze tegen hem uit: ‘Je bent zelf een leerling van Hem! Wij zijn leerlingen van Mozes. 29Van Mozes weten we dat God met hem gesproken heeft, maar van deze man weten we niet waar Hij vandaan komt.’ 30De man antwoordde: ‘Wat vreemd dat u niet begrijpt waar Hij vandaan komt, terwijl Hij mijn ogen geopend heeft. 31We weten dat God niet naar zondaars luistert, maar wel naar iemand die vroom is en zijn wil doet. 32Dat iemand de ogen opent van een man die blind geboren is – dat is nog nooit vertoond! 33Als die man niet van God kwam, zou Hij dit toch niet hebben kunnen doen?’ 34Toen riepen ze: ‘Jij, sinds je geboorte een en al zonde, wil jij ons de les lezen?’ En ze joegen hem weg.
35Jezus hoorde dat en zocht hem op. Hij vroeg: ‘Gelooft u in de Mensenzoon?’ 36‘Als ik wist wie het was, heer, zou ik in Hem geloven,’ zei hij. 37‘U kijkt naar Hem en u spreekt met Hem,’ zei Jezus. 38Toen zei de man: ‘Ik geloof, Heer,’ en hij wierp zich voor Jezus neer. 39Jezus zei: ‘Ik ben in de wereld gekomen om het oordeel te vellen. Dan zullen zij die niet zien, zien en zij die zien, zullen blind worden.’
Zingen: “Genade zo oneindig groot”
Genade, zo oneindig groot. Dat ik, die ’t niet verdien het leven vond, want ik was dood en blind, maar nu kan ‘k zien.
Want Jezus droeg mijn zondelast en tranen aan het kruis. Hij houdt mij door genade vast en brengt mij veilig thuis.
Als ik daar in zijn heerlijkheid mag stralen als de zon, dan prijs ik Hem in eeuwigheid dat ik genade vond.
Preek Zingen lied 584:1,2,6,7,8 Geloofsbelijdenis Zingen lied 858:1,2,3,4 Bijdrage van de ZWO- commissie Dankgebed, voorbede, Onze Vader Slotzang lied 576:4,5 Dankgebed en voorbeden Collecte Zegen Gezongen Amen
Orgelspel Welkom en mededelingen Zingen Votum en groet Zingen
Welkom en mededelingen
Zingen Psalm 95:1
Votum en groet
Zingen lied 536:1,4
Lezen van het gebod
Zingen Psalm 130:2,4
Moment met de kinderen
Gebed
Schriftlezing: Rechters 11:1-11 en 29-40
Maar de koning van de Ammonieten trok zich niets aan van de boodschap die Jefta hem had laten overbrengen.29 Toen werd Jefta gegrepen door de geest van de HEER. Hij trok door heel Gilead en Manasse, ging daarna weer terug naar Mispa in Gilead en trok van daar naar het gebied van de Ammonieten.30 Hij beloofde de HEER: ‘Als U de Ammonieten aan mij uitlevert 31en ik behouden terugkeer, dan zal de eerste die me vanuit mijn huis tegemoetkomt voor U zijn; die zal ik als brandoffer aan U opdragen.’32 Toen trok hij op tegen de Ammonieten en bond de strijd met hen aan, en de HEER leverde ze aan hem uit. 33Jefta sloeg hen terug van Aroër tot Minnit en Abel-Keramim en nam daarbij niet minder dan twintig steden in. Zo bracht hij een zware nederlaag toe aan de Ammonieten, die het hoofd moesten buigen voor de Israëlieten. 34Toen Jefta terugkwam bij zijn huis in Mispa, werd hij met reidansen en trommelspel verwelkomd. Zijn dochter ging voorop. Zij was zijn enige kind, andere zonen of dochters had hij niet. 35Meteen toen hij haar zag scheurde hij zijn kleren en riep uit: ‘Ach mijn kind, dat jij me deze slag moet toebrengen, dat juist jij het bent die me in het ongeluk stort! Ik heb de HEER een gelofte gedaan en daar kan ik niet op terugkomen.’ 36‘U hebt de HEER een gelofte gedaan, vader,’ antwoordde ze. ‘Nu Hij u gewroken heeft op uw vijanden, de Ammonieten, moet u met mij doen zoals u hebt beloofd. 37Maar dit wil ik nog vragen: gun me voordat u uw gelofte ten uitvoer brengt nog twee maanden tijd, zodat ik met mijn vriendinnen de bergen in kan trekken om erover te treuren dat ik nooit iemands vrouw zal zijn.’ 38‘Goed,’ zei Jefta, en hij liet haar voor twee maanden de bergen in gaan om met haar vriendinnen om haar maagdelijkheid te treuren. 39Toen die twee maanden voorbij waren keerde ze naar haar vader terug, en hij bracht zijn gelofte ten uitvoer. Nooit had ze met een man geslapen. Sindsdien is het in Israël de gewoonte 40dat de jonge meisjes elk jaar vier dagen lang rouwklagen om Jefta’s dochter.
Zingen lied 547:1,2,3
Hebreeën 11:32-40 Wat valt hier nog aan toe te voegen? De tijd ontbreekt me om te vertellen over Gideon en Barak, Simson en Jefta, David en Samuel, en over de profeten, 33die door hun geloof koninkrijken overwonnen, gerechtigheid lieten gelden, en kregen wat hun beloofd was; die leeuwen de muil toeklemden, 34aan vuur de laaiende kracht ontnamen en ontkwamen aan de houw van het zwaard; die in zwakheid kracht ontvingen, in de oorlog machtige helden werden en vijandelijke legers op de vlucht joegen. 35Vrouwen kregen hun doden terug doordat die uit de dood opstonden. Anderen werden gemarteld tot de dood erop volgde en wilden van geen vrijlating weten, omdat ze uitzagen naar een betere opstanding. 36Weer anderen kregen te maken met bespotting en geseling, zelfs met arrestatie en gevangenschap. 37Ze werden gestenigd of doormidden gezaagd, of stierven door een moordend zwaard. Ze zwierven rond in schapenvachten of geitenvellen, berooid, vernederd en mishandeld. 38Ze doolden door verlaten oorden en berggebieden en verscholen zich in grotten en holen onder de grond. Ze waren voor de wereld te goed. 39Al deze mensen, die van oudsher om hun geloof geprezen worden, hebben de belofte niet in vervulling zien gaan 40omdat God voor ons iets beters had voorzien, en Hij hen niet zonder ons de volmaaktheid wilde laten bereiken.
Zingen lied 547:4,5,6
Preek
Zingen lied 803:1,5,6
Geloofsbelijdenis
Zingen lied 858:1,2,3,4
Dankgebed, voorbeden, Onze Vader
Slotzang “Wat vlied’ of bezwijk”: 1,5
Wat vlied’ of bezwijk, getrouw is mijn God, Hij blijft aan mijn zij in ’t wisselend lot; moog ’t hart soms ook sidd’ren in ’t heetst van de strijd, zijn liefd’ en ontferming vertroosten m’ altijd.
Ik roem in mijn God, ik juich in zijn trouw, de rots mijner ziel, waar ‘k eeuwig op bouw. Ik zal Hem nog prijzen in ’t uur van mijn dood, dan rijst nog mijn loflied: “Zijn goedheid is groot!”
Orgelspel Welkom en mededelingen Zingen Psalm 25:3 Stil gebed Votum en groet Zingen Psalm 52:5
Smeekgebed met afwisselend 547a:
Kyrie eleison, wees met ons begaan, doe ons weer verrijzen uit de dood vandaan.
Gebed
Lezing uit het Oude Testament: Richteren 9: 1-21
1Abimelech, de zoon van Jerubbaäl, ging naar Sichem, waar de familie van zijn moeder woonde, en zei tegen zijn ooms en zijn neven: 2‘Leg de burgers van Sichem de vraag voor wie ze liever als heerser hebben: de zeventig zonen van Jerubbaäl gezamenlijk of één man, die bovendien hun bloedverwant is.’ 3Toen zijn ooms zijn vraag voorlegden aan de burgers van Sichem, spraken die hun voorkeur uit voor Abimelech, met als argument dat hij familie van hen was. 4Ze gaven hem zeventig sjekel uit de tempel van Baäl-Berit. Met dat geld huurde Abimelech een stel gewetenloze schurken. 5Daarmee ging hij naar Ofra, naar het huis van zijn vader, waar hij zijn broers, de zeventig zonen van Jerubbaäl, stuk voor stuk ter dood bracht op een en dezelfde steen. Alleen Jotam, de jongste, wist te ontkomen, want hij had zich verstopt. 6Daarop kwamen de burgers van Sichem en Bet-Millo bij de eik bij het gedenkteken in Sichem bijeen en riepen Abimelech tot koning uit. 7Toen Jotam dit vernam, ging hij de Gerizim op en riep met stemverheffing vanaf de top: ‘Hoor mij aan, burgers van Sichem, en God zal u verhoren! 8Eens gingen de bomen eropuit om een van hen tot koning te zalven. Ze vroegen de olijfboom: “Wilt u onze koning zijn?” 9Maar de olijfboom antwoordde: “Zou ik ophouden mijn olie af te staan, waarmee goden en mensen worden vereerd, om wat te wuiven boven de andere bomen uit?” 10Toen vroegen ze het aan de vijgenboom: “En u, wilt u onze koning zijn?” 11Maar de vijgenboom antwoordde: “Zou ik ophouden mijn zoete vruchten af te staan, om wat te wuiven boven de andere bomen uit?” 12Toen vroegen ze het aan de wijnstok: “En u, wilt u onze koning zijn?” 13Maar de wijnstok antwoordde: “Zou ik ophouden mijn sap af te staan, dat goden en mensen verblijdt, om wat te wuiven boven de andere bomen uit?” 14Ten slotte vroegen de bomen aan de doornstruik: “En u, wilt u onze koning zijn?” 15En de doornstruik antwoordde: “Als u mij werkelijk tot uw koning wilt zalven, kom dan maar hier, in mijn schaduw is het goed toeven. Maar zo niet, dan zal er uit mijn takken een vuur komen dat de ceders van de Libanon zal verteren.” 16Welnu, burgers van Sichem, als u te goeder trouw gehandeld hebt toen u Abimelech tot koning uitriep, als u Jerubbaäl en zijn familie goed hebt behandeld, als u mijn vader naar zijn verdienste hebt beloond 17– hij is immers voor u ten strijde getrokken, hij heeft voor u zijn leven op het spel gezet, hij heeft u bevrijd uit de greep van Midjan, 18maar u bent vandaag tegen mijn familie in opstand gekomen, u hebt de zonen van mijn vader, zeventig man, op een en dezelfde steen ter dood gebracht, u hebt Abimelech, de zoon van zijn slavin, tot uw koning uitgeroepen omdat hij familie van u is –, 19als u kortom vandaag te goeder trouw gehandeld hebt ten opzichte van Jerubbaäl en zijn familie, dan wens ik u veel geluk met Abimelech en hem met u! 20Maar zo niet, dan zal er uit Abimelech een vuur komen dat de burgers van Sichem en Bet-Millo zal verteren, en er zal uit de burgers van Sichem en Bet-Millo een vuur komen dat Abimelech zal verteren.’ 21Daarop nam Jotam de vlucht. Hij week uit naar Beër en bleef daar wonen, buiten bereik van zijn broer Abimelech.
Zingen Psalm 92:7,8
Evangelielezing Matteüs 21: 1-9 1Toen ze Jeruzalem naderden en bij Betfage op de Olijfberg kwamen, stuurde Jezus twee leerlingen eropuit 2met de opdracht: ‘Ga naar het dorp dat daar ligt. Zodra je het binnenkomt, zul je een ezelin vinden die daar vastgebonden staat met haar veulen. Maak de dieren los en breng ze bij Me. 3En als iemand jullie iets vraagt, antwoord dan: “De Heer heeft ze nodig.” Dan zul je ze meteen meekrijgen.’ 4Dit is gebeurd omdat in vervulling moest gaan wat door de profeet gezegd is: 5‘Zeg tegen vrouwe Sion: “Kijk, je koning is in aantocht, Hij is zachtmoedig en rijdt op een ezelin en op een veulen, het jong van een lastdier.”’ 6De leerlingen gingen op weg en deden wat Jezus hun had opgedragen. 7Ze brachten de ezelin en het veulen mee, legden er mantels overheen en Jezus ging erop zitten. 8Vanuit de menigte spreidden velen hun mantels op de weg uit, anderen braken takken van de bomen en spreidden die uit op de weg. 9De talloze mensen die voor Hem uit liepen en achter Hem aan kwamen, riepen luidkeels: ‘Hosanna voor de Zoon van David! Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer. Hosanna in de hoogste hemel!’